
Oudheid
Het tegenwoordige Afghanistan maakte in de Oudheid deel uit van een gebied dat zich uitstrekte van de Indus en de Indische Oceaan tot ver in Centraal-Azië en dat door de Grieken met de naam Ariana werd aangeduid.
De in het gebied woonachtige Ariërs waren afkomstig uit streken rond de Kaukasus en vestigden zich tussen de jaren 1500 en 800 v.C. in Iran, Afghanistan en het noorden van India en Pakistan. Van deze periode der Afghaanse geschiedenis is zeer weinig bekend.

De eerste geschreven bronnen dateren van de tijd na de verovering van Ariana door de Perzen in de 6e eeuw v.C. Vanwege zijn strategische positie, zijn ligging op een kruispunt van handelswegen, die het westen met het oosten verbinden, is Afghanistan in de loop van zijn geschiedenis overstroomd door veroveraars.
Na de Perzische overheersing veroverden de Grieken onder leiding van Alexander de Grote in de 4e eeuw v.C. Ariana. De Seleuciden, Griekse vorsten, volgden Alexander in het noorden van het land op, terwijl het zuiden later deel uitmaakte van het Indiase rijk der Maurya's.
Gedurende de overheersing der Kushana, een volk afkomstig uit Centraal-Azië, werd geheel Ariana bekeerd tot het boeddhisme (1e en 2e eeuw n.C.). Deze godsdienst werd geleidelijk vervangen door de islam na de invasies van de Arabieren in de 7e eeuw n.C.. Perzische en Turkse dynastieën regeerden over Afghanistan na de Arabische tijd, tot in de 13e en 14e eeuw verschillende Mongoolse invasies plaats vonden, eerst onder leiding van Djengiz Khan en later Timur Lenk. Onder de regering van de opvolgers van Timur, de Timuriden, bloeide de islamitische beschaving, met Herat als centrum.
Perzen, Grieken, Indiërs en Arabieren waren er allemaal op uit de karavaanwegen te beheersen. Zij stelden zich de verovering van geheel Ariana ten doel, en hun diverse culturen zouden medebepalend zijn voor de Afghaanse cultuur. Hoe belangrijk de functie van Afghanistan was als doorgeefluik, bleek o.a. uit de verspreiding van het boeddhisme, dat vanuit India, via Afghanistan, China bereikte. Hetzelfde geldt voor de verspreiding van de islam over het Indiase subcontinent.
De veroveraars uit de noordelijke Centraal-Aziatische vlakten werden aangetrokken door de rijkdommen van India en Perzië en bedienden zich van Afghanistan als springplank voor de verovering van die gebieden. Zij vernietigden eerst een groot deel van de materiële cultuur der sedentaire bevolking, om in een later stadium vele Perzische, Griekse, Arabische en Indische elementen te absorberen. Dit proces van vernietiging, aanpassing en ontwikkeling van een eigen beschaving zou zich verschillende malen herhalen. De rijken der Kushana en der Timuriden zijn hiervan de beste voorbeelden.
Middeleeuwen
Het einde van de Middeleeuwen vormde een breekpunt in de Afghaanse geschiedenis. In deze tijd kwam het land in een economische recessie, omdat de Europese mogendheden, te beginnen met de Portugezen, de handel tussen het westen en het oosten overnamen en de handelsroutes verlegden naar zee.
Afghanistan werd langzamerhand van handelskruispunt een afgelegen gebied. Ook de dynastieën in de omliggende landen verzwakten in economisch en militair opzicht en van het zo ontstane machtsvacuüm maakten de Afghaanse volken gebruik om het recht in eigen hand te nemen. Ondanks de onderlinge verdeeldheid onder de Pashtunen en heftige binnenlandse twisten werd Ahmad Shah Durrani in 1747 tot koning uitgeroepen. Deze gebeurtenis werd beschouwd als het begin van de Afghaanse staat (i.e. Afghanistan).
Het tijdperk van kolonialisme, de 'Great Game'
Tijdens de 19e eeuw werd Afghanistan bedreigd door expansionisme van de Russen uit het noorden en van de Britten uit India. De Britten trachtten de Afghanen te dwingen Russische invloed binnen hun grenzen te weren. Tweemaal, in 1841/42 en in 1878, leek dit Great Game (= grote spel) met Afghanistan als inzet uit te lopen op een Brits-Russische oorlog.
Beide malen trokken de Russen zich terug na een Britse invasie van het land. Hoewel in beide gevallen de Afghanen met succes tegen de Britten vochten, moesten zij na de tweede Afghaans-Britse oorlog toch toestaan dat Groot-Brittannië voortaan de Afghaanse buitenlandse politiek bepaalde.
De Britse voogdij remde het land in zijn ontwikkeling, omdat de Britten iedere invloed uit het buitenland weerden. De Afghanen beëindigden de Britse voogdij door een overwinning in de derde Afghaans-Britse oorlog van 1919. De nationalist Amanullah werd in dit jaar tot koning gekozen en trachtte het zeer geïsoleerde Afghanistan te moderniseren.
De financiering van de hervormingen moest voor het grootste deel opgebracht worden door de rurale bevolking. Spoedig kwam de koning in conflict met de traditionele leiders van de rurale bevolking: de religieuze leiders en de lokale leiders der verschillende volken.
In 1929 werd de koning na een reactionaire omwenteling verbannen. Een periode van een voorzichtig conservatief bestuur brak aan, o.l.v. de koningen Mohammed Nadir Shah en Mohammed Zahir Shah. De Loy Jirga (= de grote volksraad) werd als hoogste staatsorgaan ingesteld.
De Monarchie (Zahir Sjah)
Koning Zahir begon na WO II een voorzichtig liberaal beleid te voeren, afgewisseld door perioden van conservatieve inkeer. In dit politieke klimaat kon in 1947 de hervormingsgezinde beweging Wikh-i-Zalmayan (= Wakkere Jeugd) opgericht worden. De latere communistische partij van Afghanistan kwam uit deze beweging voort.
Pas in 1964 werd via een nieuwe liberale grondwet een constitutionele monarchie ingesteld en werd de Loy Jirga vervangen door een gekozen parlement. Dit parlement bleek echter zijn taken niet naar verwachting te kunnen vervullen, omdat het een plaats werd waar onenigheden tussen de verschillende etnische groepen werden uitgevochten. De door de elite gewenste hervormingen konden, als een gevolg van de machteloosheid van de regering, niet worden uitgevoerd.
Door de meer democratische atmosfeer en het in werking treden van een liberale perswet, werd het mogelijk gemaakt dat in 1966 een belangrijk links blad verscheen: Khalq (= het Volk), uitgegeven door een gelijknamige beweging onder leiding van Noor Mohammed Taraki.
Deze beweging voelde zich verwant met het internationale socialisme. Na een paar weken werd het blad een verschijningsverbod opgelegd, omdat de gepubliceerde ideeën ten aanzien van land- en eigendomshervorming in strijd werden geacht met de beginselen van de islam. De Khalq-leiders zelf beweerden pro-islamitisch te zijn. Ruim een jaar later splitste de beweging zich.
De oorspronkelijke Khalq bleef trouw aan Taraki, terwijl de afvalligen zich verenigden onder Babrak Karmal, die een nieuw blad, Parcham (= het Vaandel), begon uit te geven. De meningsverschillen tussen Khalq en Parcham lagen op het tactische vlak. De Parcham-richting streefde de vorming van een nationaal-democratische regering na.
Daarom trachtte zij haar aanhang voornamelijk te verwerven binnen het leger en het ambtenarenapparaat, de enige nationale instellingen. De Khalq-beweging zocht haar aanhang, in navolging van andere communistische landen, onder de arbeidersklasse, die nog nauwelijks bestond in Afghanistan. Het platteland vormde voor geen der beide partijen een rekruteringsgebied.
In de jaren 1970-1972 werd Afghanistan getroffen door ernstige droogte. Het bewind-Zahir Shah probeerde aanvankelijk de desastreuze toestand te ontkennen. Toen tenslotte toch buitenlandse hulp werd gevraagd, kwamen de voedselzendingen vaak niet terecht waar ze nodig waren.
De Republiek (president Daoud)
Van de zo ontstane spanningen wist de voormalige premier Mohammed Daoud gebruik te maken door een staatsgreep te plegen en de republiek uit te roepen. De Parcham-beweging zag in deze nieuwe situatie een kans voor haar nationaal-democratische regering, steunde de coup en werd in de regering opgenomen.
Binnen korte tijd werd echter duidelijk dat Daoud zich niet door overwegingen van nationale democratie wilde laten leiden. Hij gedroeg zich als een conservatieve leider en stootte de Parcham uit de regering.
Bij de Khalq-vleugel was ondertussen het besef doorgedrongen dat het verkrijgen van steunpunten in het leger een voorwaarde was voor het opbouwen van een machtspositie. Hierdoor konden Khalq en Parcham naar elkaar toe groeien en werd de Volksdemocratische Partij van Afghanistan (VDPA) in 1977 weer een eenheidspartij.
De 'Saur Revolutie' (1978)
Op 27 april 1978 vond er volgens de VDPA een revolutie plaats. Feitelijk is er toen echter door de VDPA een bloedige coup gepleegd tegen president Daoud. Daoud werd toen vermoord. De belangrijkste decreten die de nieuwe regering uitvaardigde, betroffen de hervorming van de sociale en economische verhoudingen op het platteland.
De schulden op landbouwgronden werden deels vervallen verklaard, voor het overige deel werd een maximaal rentepercentage vastgesteld. Verder werd de maximale grootte van het landbezit gesteld op 6 ha, terwijl het vrijkomende land werd verdeeld onder landloze boeren in kavels van 2 ha, meestal buiten het traditionele woongebied, teneinde de feodale machtsverhoudingen te doorbreken.
De landbouw werd niet gecollectiviseerd. Mannen en vrouwen werden voor de wet gelijk, de bruidsschat afgeschaft en de invoering van maatregelen om de culturele achterstelling van etnische minderheden op te heffen.
Vrij kort na de machtsovername laaiden de tegenstellingen tussen Khalq en Parcham weer op. Zowel Parcham als de groepering van nationalistische moslims, die de staatsgreep hadden gesteund, werden buitenspel gezet.
Tevens vonden binnen de VDPA bloedige zuiveringen plaats: Hafizullah Amin verving Taraki als sterke man. Ondertussen werd steeds duidelijker dat de Afghaanse bevolking niet achter de hervormingen stond. De hervormingen betekenden in vele opzichten een te grote breuk met het verleden.
Een belangrijke praktische reden was bovendien het instorten van het traditionele kredietstelsel; de symbiose tussen boeren en pachters aan de ene kant en grootgrondbezitters en kredietverschaffers aan de andere kant werd verbroken zonder dat voldoende vervangende maatregelen waren genomen.
Het toenemende aantal Sovjetadviseurs werd met groot wantrouwen bejegend. De spiraal van opstand en onderdrukking, die ontstond, leidde in 1979 tot interventie van het Russische en bracht een bewind onder Babrak Karmal aan de macht.
De periode 1979-1988
Binnen de VDPA ontstond een machtsstrijd tussen de aanhangers van de Khalq en de Parcham-facties. De strijd werd beslist in het voordeel van de Parcham. Het communistische bewind in Kabul werd militair door de Sovjetunie ondersteund.
Het regeringsleger werd geplaagd door interne verdeeldheid, waardoor vele militairen deserteerden of tijdens de strijd overliepen naar het Afghaanse verzet. Pogingen om het aantal manschappen te vergroten door een verlaging van de dienstplichtige leeftijd konden deze trend niet keren.
Het Afghaanse verzet of de Moedjaheddin bestond uit verscheidene facties met elk hun eigen doelstellingen. In eerste instantie trachtten de verzetsbewegingen aansluiting te zoeken bij de verzetsbeweging van de Pashtun-bevolkingsgroep in Peshawar, Pakistan.
Al snel bleken de onderlinge doelstellingen zo zeer te verschillen, dat er van een centraal gecoördineerd verzet geen sprake kon zijn. De Pakistaanse verzetsbeweging bleef belangrijk omdat de verschillende Afghaanse verzetsbewegingen door hen of in Peshawar bevoorraad werden.
Onder leiding van de VN vonden er vele inofficiële ontmoetingen plaats tussen de Pakistaanse regering en het bewind in Kabul. Inofficieel omdat Pakistan, onder druk van de eigen bevolking, niet kon overgaan tot een officiële erkenning.
Aan de andere kant werd de interne stabiliteit van Pakistan bedreigd door de steun vanuit Peshawar. Het Pakistaanse verzet in Peshawar dreigde, door het samengaan met de Afghaanse verzetsbewegingen, waaronder vele Pashtunen, een te grote aanhang te creëren voor een gezamenlijke beweging voor een onafhankelijk land voor de Pashtunen, nl. Pashtunistan.
Een ander probleem werd gevormd door de vele Afghaanse vluchtelingen die een veilig heenkomen zochten in Pakistan. Officieel werd het Afghaanse verzet in Pakistan militair gesteund door de VS.
De verzetsbewegingen hadden de rurale gebieden onder controle en de Sovjettroepen beheersten de grote steden en hun doorgangsroutes. Tijdens de oorlog, waarin de Sovjettroepen ook de rurale gebieden onder controle wilden krijgen, nam het aantal burgers dat slachtoffer werd van de burgeroorlog schrikbarend toe. Het lukte geen der beide partijen om een doorbraak te forceren.
In 1986 werd Babrak Kamal opgevolgd door Nadjibullah. Nadjibullah was, in de strijd tegen het verzet, de oprichter van de Afghaanse inlichtingendienst, de Khad. In dat jaar verplaatste het zwaartepunt van de strijd zich naar de oostelijke provincies.
De Sovjettroepen trachtten de bevoorrading van het verzet vanuit Pakistan te saboteren. Nadjibullah kondigde een aantal malen eenzijdig een staakt-het-vuren af. Hij was een voorstander van onderhandelingen met het verzet en de omvorming van Afghanistan naar een meerpartijenstelsel.
Het verzet daarentegen wenste niet te onderhandelen zolang Nadjibullah aan de macht was en mochten er al vrije verkiezingen worden gehouden dan moest de communistische partij uitgesloten worden van deelname.
Ondanks dat er geen overeenstemming werd bereikt tussen de verschillende partijen, begon de Sovjetunie in 1988 met het terugtrekken van haar troepenmacht. Nadjibullah werd vervangen door Mohammad Hassan Sharq. Sharq was geen lid van de communistische partij en daarom wellicht een aanvaardbare gesprekspartner voor het Afghaanse verzet.
De periode na 1989
In februari 1989 was de terugtrekking voltooid. De gevechten bleven aanhouden. Het verzet was intern nog steeds verdeeld in soennieten (die gesteund werden door Pakistan en Saoedi-Arabië), sjiieten (gesteund door Iran) en nationalisten die weer onderverdeeld konden worden in Pashtunen, Oezbeken en Tadzjieken.
Dit leek tijdens de voortgaande strijd in het voordeel te zijn voor het communistische bewind in Kabul. Maar ook binnen de regering streden de Khalq- en Parcham-facties met elkaar. Ook de verdeeldheid in het regeringsleger bleef aanhouden. Op elk moment in het conflict konden bepaalde legeronderdelen overlopen naar het verzet of deserteren. Zowel de VS als de SU stopten hun militaire steun aan de verschillende partijen in het conflict.
In 1992 werd Nadjibullah d.m.v. overgelopen regeringsmilitairen uit zijn functie in het leger gezet en o.l.v. van de VN werd een interim-regering geformeerd. De nieuwe regering kwam onder leiding van de Tadzjiekse theoloog Burhannudin Rabbani.
In de navolgende jaren bleek de regering haar macht niet te kunnen consolideren, haar invloed reikte veelal niet verder dan enkele wijken van Kabul. In de rest van het land bleef de strijd tussen de verschillende verzetsbewegingen in alle hevigheid doorgaan.
Alleen al in de hoofdstad Kabul werden in die periode meer dan 50.000 burgers door de gevechten om het leven gekomen en tienduizenden gewoond geraakt. Meer dan de helft van de hoofdstad werd toen kapotgeschoten en verwoest.
De Taliban (1994)
Uit de anarchie en wetteloosheid van die tijd verscheen er in 1994 een nieuwe beweging ten tonele, die rust en stabiliteit in het land wilde brengen. Deze nieuwe beweging noemde zich de Taliban (= religieuze scholieren/ studenten) en is in de zuidelijke stad Kandahar ontstaan.
Gesteund door Pakistan slaagden de Taliban al heel snel er in om een groot deel van het land te veroveren. In 1996 namen ze hoofdstad Kabul in. De Taliban wilden van Afghanistan een 'zuivere islamitische staat' maken, waar de Sharia (= islamitische wetgeving) moest heersen.
Er werden strenge, middeleeuwse regels ingevoerd. Vrouwen mochten niet meer naar school gaan en werken. Alle soorten vermaak (tv, bioscoop, vliegeren etc.) was verboden. In hun hoogtijdagen (midden 2001) hadden de Taliban 95% van het land in hun handen.
Afghanistan na de gebeurtenissen van 11 september 2001
De aanslagen van 11 september 2001 in New York en Washington hadden grote gevolgen voor Afghanistan, met name voor het Taliban-regime. Door de weigering van het regime om Osama Bin Laden uit te leveren aan de VS begonnen de VS op 5 oktober 2001 met hun militaire aanvallen op Afghanistan tegen de Taliban en tegen hun 'gast' Osama Bin Laden en zijn Al-Qaida.
Na een maand van dag en nacht zware bombardementen verloren de Taliban de noordelijke stad Mazar-e-Shrif aan de geallieerde troepen. De val van de stad Mazar-e-Sharif had een sneeuwbaleffect. Kort na de val van Mazar-e-Sharif raakten de Taliban namelijk al heel snel andere gebieden kwijt aan de geallieerde troepen.
Kort na de val van de stad Mazar-e-Sharif trokken de Taleban zich terug uit Kabul. Op dezelfde dag werd Kabul door de troepen van de Noordelijke Alliantie/Verenigde Front ingenomen. Ondertussen hield de VN een conferentie in Bonn, Duitsland, over de toekomst van Afghanistan. Na negen dagen onderhandelen, sloten de vier deelnemende Afghaanse delegaties een akkoord.
Er werd een multi-etnische interim-regering gevormd onder leiding van Hamed Karzai. In 2004 werd Hamed Karzai door historische vrije verkiezing gekozen tot president van Afghanistan. In 2005 werden ook parlementsverkiezingen gehouden. De volgende verkiezingen zullen resp. in 2009 en 2010 plaatsvinden.

|